Robots in sociale omgevingen zijn in opmars. Steeds vaker kun je ze tegenkomen in zorginstellingen, op school, in de horeca en ook thuis, als hulp in de huishouding. Hoe gaan mensen om met deze technologie? Gaan ze de interactie aan met robots of zien ze deze vooral als gebruiksvoorwerp? Navya Sharan promoveerde onlangs op dit onderwerp aan de Universiteit van Amsterdam.
‘Ons begrip van de interactie tussen mens en robot is vooral gebaseerd op onderzoek dat inmiddels al meer dan dertig jaar oud is. Het leidde tot de Computers-Are-Social-Actors (CASA)-theorie, waarin werd voorspeld dat mensen sociaal reageren op technologie die sociale signalen afgeeft. CASA is vervolgens steeds de norm geweest in het denken over human-machine communication, maar klopt deze theorie nog wel nu mensen gewend zijn geraakt aan omgang met technologie?’, vroeg Sharan zich af.
In een reeks experimenten met proefpersonen onderzocht ze of de CASA-theorie standhoudt in interacties met de geavanceerde sociale robots van tegenwoordig. Ze keek eerst hoe mensen reageren op sociale robots binnen een team; of en in welke mate zij de interactie met de robot aangaan. Dat blijkt afhankelijk van de cognitieve capaciteiten: hoe slimmer mensen dachten dat de robot was, hoe meer ze zich conformeerden.
Robot met of zonder gezicht
In een ander experiment richtte Sharan zich op wederkerigheid. Als een robot elke keer een mens helpt, helpt de mens dan de robot terug? Uit de resultaten komt naar voren dat dit niet zo was, terwijl dat volgens de CASA-theorie wel zo zou moeten zijn. ‘Mensen behandelen robots niet zoals ze andere mensen behandelen, ook niet als robots sociale signalen afgeven. We zijn ook zo gewend aan technologieën om ons heen dat we niet verwachten dat zij zich opeens sociaal gaan gedragen.’
In aanvulling op CASA ontstond een aantal jaar geleden de Media-Are-Social-Actors (MASA)-theorie, die uitlegt hoe sociale signalen, zoals een stem of gezichtsuitdrukking, sociale reacties kunnen oproepen. Het gaat hierbij om meer dan alleen de cognitieve capaciteiten van een robot (zoals bij CASA), dus ook om mensachtige kenmerken. In een derde experiment onderzocht Sharan of mensen behulpzamer zijn richting een robot met een gezicht dan zonder gezicht. Dat bleek geen verschil te maken.
Geen gevoel van gezelschap
Het onderzoek bevatte tevens een studie naar langdurige interacties met robots. Acht weken lang kregen vierhonderd kinderen van 8 tot 9 jaar een kleine robot (Cozmo) mee naar huis. De verwachting van Sharan was dat kinderen in de loop van de tijd een band met de robot zouden ontwikkelen. Uit de data kwamen andere resultaten: de kinderen hadden geen duidelijk gevoel van gezelschap of sociale aanwezigheid. ‘Dit roept de vraag op of mens en robot in staat zijn om relaties met elkaar op te bouwen.’
Sociale robots zijn geen mensen en worden dus niet zo behandeld door mensen, stelt ze. ‘Mensen zien robots eerder als gebruiksvoorwerp dan sociale gesprekspartner. Voor de ontwikkeling van sociale robots betekent dit dat de focus niet alleen moet liggen op het nabootsen van menselijke eigenschappen, maar vooral op hoe mensen de robots ervaren en gebruiken.’
Deze bijdrage komt uit de papieren IP #4-2025. Het hele nummer kun je hieronder lezen of downloaden.