Het wegzetten van complotdenkers als irrationeel of gevaarlijk kan polarisatie juist versterken. Door mensen te bespotten of buiten te sluiten, worden zij eerder naar gelijkgestemden gedreven en ontstaan echokamers. Dit blijkt uit onderzoek van filosoof Julia Duetz. Ze pleit voor een genuanceerde benadering, vooral bij professionals die met wantrouwende burgers werken.
Complottheorieën worden in de media, de politiek en soms ook in de wetenschap vaak op één hoop gegooid, zegt Duetz. Ze zouden irrationele en gevaarlijke ideeën zijn, terwijl mensen die erin geloven als naïef of gestoord worden beschouwd. Daardoor is de term ‘complotdenker’ steeds meer een scheldwoord geworden. Duetz concludeert in haar onderzoek aan de Vrije Universiteit dat dit algemene beeld te simplistisch is. ‘Complottheorieën lopen sterk uiteen: sommige zijn gevaarlijk, andere onschuldig en sommige blijken zelfs waar,’ stelt ze.
Genuanceerder beeld
De aanleiding voor het onderzoek was tweeledig. Het heersende alarmistische beeld overtuigde Duetz steeds minder naarmate ze zich verder in het onderwerp verdiepte. Daarnaast brachten samenwerkingen met de politie, gemeenten, de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie haar in contact met de praktijk. Daaruit bleek dat de werkelijkheid achter complotdenken vaak genuanceerder is dan het beeld dat in de media ontstaat.
‘Wie een buurman of collega hoort beweren dat een geheim netwerk de wereld bestuurt, kan geneigd zijn die persoon direct af te schrijven als “gek” of “wappie”. Toch kan die reactie het probleem juist verergeren,’ zegt Duetz. ‘Hoe sterker iemand wordt veroordeeld om zijn overtuigingen, hoe groter de kans dat diegene zich eraan vastklampt. De afstand tussen verschillende groepen neemt daardoor toe en het gesprek komt steeds moeilijker op gang.
Daarbij speelt mee dat mensen die voortdurend worden bespot of veroordeeld, zich kunnen terugtrekken uit het maatschappelijke debat. Ze zoeken vervolgens vaker contact met gelijkgestemden. ‘Zo ontstaat een echokamer van buitenaf: niet alleen door de overtuigingen van de betrokkenen, maar ook doordat anderen hen buitensluiten.’
Bredere menselijke patronen
Een belangrijke conclusie is dat complotdenken niet los kan worden gezien van bredere menselijke denkpatronen. Duetz: ‘Gedrag dat vaak aan complotdenkers wordt toegeschreven, zoals dogmatisch vasthouden aan een idee, tegenbewijs afwijzen of blind vertrouwen op een goeroe, komt ook elders in de samenleving voor. Die eigenschappen zijn dus niet uitsluitend kenmerkend voor mensen die complottheorieën aanhangen.’
Dat betekent volgens Duetz niet dat alle complottheorieën onschuldig zijn of dat kritiek achterwege moet blijven. Wel vraagt het om onderscheid tussen verschillende overtuigingen en om een zorgvuldige beoordeling van de risico’s.
Ze pleit daarom voor een benadering waarin verschillen mogen blijven bestaan en democratisch pluralisme wordt geaccepteerd. Dat houdt in dat mensen met uiteenlopende opvattingen naast elkaar moeten kunnen bestaan, zonder dat zij het altijd met elkaar eens hoeven te worden.
Vooral professionals
Duetz’ onderzoek richt zich in het bijzonder op mensen die beroepsmatig met complotdenkers te maken krijgen. Denk aan politieagenten, gemeenteambtenaren, medewerkers van de Belastingdienst, het Openbaar Ministerie, het gevangeniswezen en journalisten.