Door Anneke de Maat
Al 90.000 archeologische amateurvondsten zijn sinds 2016 geregistreerd in de database van Portable Antiquities of the Netherlands, kortweg PAN. Sieraden, munten, wapens, kledingspelden en meer zijn voor iedereen op de website te zien. Het doel van PAN? Zo veel mogelijk vondsten van amateurs beschikbaar stellen voor onderzoek. Over hoe de mensen achter PAN de data vindbaar en toegankelijk maken, opslaan en archiveren, en wat dit de wetenschap oplevert.
‘Sinds de jaren zeventig is het aanschaffen van een metaaldetector voor steeds meer mensen betaalbaar geworden. Sommige bezitters van zo’n detector speuren naar verloren horloges of euromunten, anderen hopen een waardevolle historische ontdekking te doen. Door metaaldetectie is er sinds de jaren zeventig heel veel historisch materiaal gevonden’, schetst archeoloog Stijn Heeren, projectleider van PAN. ‘De collecties van deze amateurarcheologen hebben grote wetenschappelijke waarde, maar tot nu toe werden ze nauwelijks bij onderzoek betrokken.’
Speuren met een metaaldetector was tot 2016 verboden, maar er werd niet op gehandhaafd. Tot in de jaren tachtig werden vondstmeldingen van amateurs wel geaccepteerd en geregistreerd, maar langzaamaan kwam er steeds meer frictie. Archeologen ergerden zich aan de illegale opgravingen, en de amateurs, die soms grote en belangrijke ontdekkingen deden die de archeologen zelf ‘misten’, voelden zich niet gewaardeerd. Daardoor werd de laatste drie decennia steeds minder samengewerkt en gedocumenteerd.
Legalisatie metaaldetectie en meldplicht
Het jaar 2016 luidde een nieuwe Erfgoedwet in. Het met een metaaldetector opgraven van archeologische voorwerpen is sindsdien tot maximaal dertig centimeter onder het maaiveld toegestaan – onder bepaalde voorwaarden. Sinds 2016 is het ook verplicht om bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) of bij PAN te melden wat je hebt gevonden en waar.
De legalisering van metaaldetectie was voor Heeren aanleiding om bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) financiering aan te vragen voor het opzetten van een database om oudheidkundige vondsten van amateurzoekers te registeren, zodat die beschikbaar zouden komen voor onderzoek – wat in 2016 resulteerde in PAN, Portable Antiquities of the Netherlands. ‘Wij hebben er toen voor gepleit niet alleen nieuwe maar ook oude vondsten te gaan documenteren, want we vonden het wetenschappelijk gezien zonde om alleen de nieuwe oogst te registreren. We hebben destijds met de RCE afgesproken dat wij ons van 2016 tot 2020 met NWO-financiering zouden richten op het registreren van de vóór 2016 gevonden objecten, en dat de RCE vanaf 2020 de nieuwe meldingen zou gaan registreren. Het was ook de hoogste tijd om die amateurverzamelingen te gaan documenteren, want veel verzamelaars zijn inmiddels op leeftijd en we willen graag dat ze ons de vindplaats vertellen.’
Contact leggen met amateurverzamelaars
Een aantal archeologen onderhield nog wel contact met metaaldetectorzoekers, vervolgt Heeren. ‘Die contacten hebben we als eersten benaderd. Daarnaast hebben we oproepen gedaan via twee detectorverenigingen. We schatten dat er in Nederland zo’n 9000 metaaldetectorzoekers zijn, van wie circa 2500 echt actieve zoekers zijn. Op dit moment hebben 1129 van hen op de PAN-website een account aangemaakt waarmee ze zelf hun vondsten kunnen melden.’
Ze waren nog niet eens klaar met het registreren van de objecten gevonden vóór 2016 toen er al veel ‘nieuwe’ meldingen binnenkwamen, vertelt Heeren. De financiering voor PAN is daarom verlengd tot eind februari 2022 dankzij geld van de RCE. ‘Ze vroegen ons om ook amateurvondsten van aardewerk en glas, vondsten uit scheepswrakken en vuurstenen te gaan registreren. Daarvoor hebben we dus nieuwe verzamelaarsgroepen benaderd.’
Bij een flink aantal amateurverzamelaars die al voor 2016 vondsten deden en die wilden meewerken aan het documenteren daarvan, ging een team van PAN-vondstregistratoren geruime tijd op huisbezoek. Ze maakten dan foto’s en verzorgden de registratie. Door gebrek aan menskracht is het niet meer mogelijk om bij iedereen langs te gaan. Daarom zet PAN nu in op het begeleiden van het zelf invoeren van gegevens. PAN-vondstregistratoren geven tegenwoordig workshops bij ArcheoHotspots over hoe verzamelaars zelf hun objecten kunnen registreren.
Vindplek wel/niet zichtbaar
‘We vroegen de vinders ook om ons te vertellen waar ze de voorwerpen gevonden hebben’, vervolgt Heeren. ‘De informatie over de vindplek zetten we niet op de PAN-website; we geven die alleen, en onder strenge voorwaarden, aan wetenschappelijke onderzoekers. Zo mag de vindlocatie alleen worden gepubliceerd als het bestaan ervan al via een andere weg dan PAN bekend is. Dat hebben we aan de amateurarcheologen beloofd, want zij willen de exacte vindplek anders natuurlijk niet prijsgeven. Als een locatie door de overheid voor nieuwbouw wordt aangewezen, geven we ambtenaren van ruimtelijke ordening desgevraagd wel informatie over wat er gevonden is. Dat is nuttig, want dan kunnen zij maatregelen nemen. Aan amateuronderzoekers vertellen we de exacte vindlocatie niet. Zij krijgen gefilterde informatie. Ze kunnen op de website per gemeente zien wat er gevonden is.’
Standaardclassificaties
Hoe gaat het registreren in zijn werk? ‘Een vinder maakt een account aan, dat kan ook met een alias. Meestal heeft hij of zij meerdere vindlocaties. We vragen de vinder elk object te fotograferen en per locatie in te voeren. Van een vondst documenteren we foto’s, afmetingen, gewicht en materiaalsoort. Verder vragen we om elk object te koppelen aan een referentietype. We werken met standaardclassificaties, omdat de objecten gedetermineerd moeten worden. Als je niet werkt met standaardclassificaties, krijg je discrepanties in de registratie en datering, doordat mensen verschillende kennisniveaus hebben’, legt Heeren uit. ‘We hebben een collectie van referentiebeschrijvingen gemaakt. Een wetenschapper beschrijft één keer grondig een referentietype en voorziet dat van een standaardtekening. Zo hoeft de vinder alleen maar de foto van het object te koppelen aan het referentietype door op een serie plaatjes te klikken. Het maken van die referentietypes is heel bewerkelijk, maar daarna is het efficiënt en ben je verzekerd van uniforme beschrijvingen. PAN heeft dit innovatieve systeem bedacht. Archeologen in binnen- en buitenland hebben nu ook veel interesse in dit systeem, en de amateurs vinden het fijn dat ze alleen op een plaatje hoeven te klikken en niet al die vaktermen hoeven te kennen.’
Toegankelijkheid datasets
Alleen de objecten waarvoor een referentietype is gemaakt, zijn op de PAN-website gepubliceerd en te zien, merkt Heeren op. ‘We moeten nog heel wat referentiebeschrijvingen maken, en dat is een echt herculeswerk waar nog wel generaties archeologen mee bezig zullen zijn. We geven voorrang aan objecttypes waarvan er veel gevonden worden. Types waarvan nog maar weinig vondsten zijn gedaan, komen onderaan de to-dolijst. Er is dus een verschil tussen wat al in de PAN-database geregistreerd is en wat op de PAN-website te zien is.’
Er werden al heel wat objecten gemeld die in de vakliteratuur nog niet bekend waren, zegt hij enthousiast. Zo zijn er minstens tachtig tot nu toe onbekende kledingspelden gedocumenteerd. Wetenschappers die met de datasets onderzoek willen doen, krijgen een hogere inlog en mogen ook datasets downloaden. Instituten die over een API-server beschikken, kunnen de data van de referentiecollecties ook direct aanroepen.
PAN-app: preciezer melden
Sinds kort is er ook de PAN-app waarmee je, terwijl je nog in het veld staat, een foto van het object kunt maken. Bij thuiskomst zet de app dan via wifi alle foto’s meteen voor je in PAN. ‘Doordat de telefoon via gps de locatie bepaalt, krijgen we zeer precieze informatie over de vindlocatie. Daar heb je bijvoorbeeld veel aan bij het reconstrueren van een slagveld’, licht Heeren toe. ‘Als je de exacte vindlocaties van de kogels weet, kun je de schietlinies bepalen. De app maakt melden bovendien makkelijker. Na de lancering van de app zagen we een toename in het aantal vinderaccounts dat per maand werd aangemaakt.’
De Geodienst van Rijksuniversiteit Groningen, een van de projectpartners (zie ook kader), ontwierp de PAN-website en de PAN-app. PAN gebruikt de servers van de Geodienst voor het opslaan van de data. Een maand nadat een vondst gevalideerd is – ofwel gekoppeld aan een referentiecollectie – wordt deze automatisch naar DANS-Easy gestuurd, daar opgeslagen en zo eveneens gearchiveerd. De Geodienst zorgt dat de data duurzaam toegankelijk blijven, welke veranderingen er in de toekomst ook zijn in de software. Opslag bij DANS-Easy maakt de data extra goed vindbaar, want zij leveren de data door aan servers als Ariadne en Europeana.
Heeren en zijn team wonnen in 2018 de Nederlandse Dataprijs voor PAN met de bijbehorende 5.000 euro om de dataset nog toegankelijker te maken (zie ook kader). Ze zetten het bedrag in om extra zoekfunctionaliteiten voor de vinders aan de website toe te voegen, evenals enkele knoppen waarmee zij hun data beter kunnen beheren.
Nieuwe wetenschappelijke inzichten
Heeft het PAN-project de wetenschap al nieuwe inzichten opgeleverd? ‘Jazeker’, zegt Heeren trots. ‘De goudschat van Lienden die je op de foto ziet, was een van de eerste meldingen die al na enkele weken na de start bij PAN werd gedaan. Het is de grootste én “allerjongste” solidus-schat die ooit in Nederland gevonden is. Solidus is de Romeinse gouden standaardmunt uit de late vierde en vijfde eeuw. De schat is van groot wetenschappelijk belang. Toen in de vijfde eeuw na Christus het Romeinse Rijk volledig aan het desintegreren was, betaalden de Romeinen krijgers in het noorden om voor hen te vechten. We kenden al wat schatten uit de vroege vijfde eeuw. De goudschat van Lienden is gedateerd rond 460. Dat maakt het de “allerjongste” Romeinse-muntenschat van het hele West-Romeinse Rijk.’
‘We hebben samen met de vinders van de goudschat van Lienden een vervolgopgraving gedaan’, gaat hij gedreven voort. ‘We wilden weten wat voor soort plek de vindlocatie was: een nederzetting, een grafveld of een heiligdom? De uitkomst was heel verrassend, want we vonden skeletten uit de bronstijd (1800 tot 1500 voor Christus). Daaruit hebben we kunnen opmaken dat daar in die tijd een enorme grafheuvel lag, en dat die er in de vijfde eeuw na Christus nog steeds was toen iemand er zijn fortuin – ter waarde van vijf jaarsalarissen voor een Romeinse officier – in heeft begraven, waarschijnlijk met het idee zijn geld weer te komen ophalen in rustiger tijden. We hebben ervan geleerd dat het door de Romeinen inhuren van noordelijke krijgers nog veel langer doorging, zelfs toen het Romeinse Rijk al in kleine stukjes uiteengevallen was.’
Romeinen in Friesland en Groningen
Dankzij PAN kwam ook voor het eerst aan het licht dat er vrij grote aantallen Romeinse militaire objecten in Friesland en Groningen te vinden zijn. Er zijn honderden objecten uit tientallen verschillende terplocaties gemeld, waaronder Romeins paardentuig. Dat was opmerkelijk, want Friesland en Groningen lagen buiten de grenzen van het Romeinse Rijk. Hierdoor is onderzoek gestart naar wat die Friezen en Groningers in Romeinse krijgsdienst deden.
Zestig archeologen hebben tot nu toe aanvragen gedaan om de PAN-database voor onderzoek te gebruiken, en in september 2021 ging voor het eerst een promovendus aan de slag met de PAN-database als onderzoeksbron.
Vanaf 2022 zal de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed zelf de PAN-database gaan beheren. Er wordt nog gezocht naar financiering om het projectteam van PAN te kunnen blijven betalen. ‘Zo’n team is echt nodig om de meldingen te verrijken en te determineren’, besluit Heeren. ‘Zonder feedback blijven de amateurarcheologen zich niet melden.’
Portable Antiquities of the Netherlands in het kort
Portable Antiquities of the Netherlands, ofwel PAN, is een database waarin amateurarcheologen hun vondsten kunnen melden. De coördinatie van het PAN-project, dat in 2016 van start ging, ligt bij de Vrije Universiteit Amsterdam. Primaire projectpartners zijn de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Universiteit Leiden en Rijksuniversiteit Groningen.
Citizen science bij PAN
De Nederlandse Dataprijs wordt om de twee jaar uitgereikt aan een onderzoeker of onderzoeksgroep die extra bijdraagt aan de wetenschap door onderzoeksdata volgens de FAIR-principes beschikbaar te maken voor aanvullend of nieuw onderzoek. De jury van 2018 roemde de goed doordachte datastructuur van PAN, de wijze waarop de data worden weggeschreven en voor hergebruik beschikbaar worden gemaakt, gecombineerd met de wijze waarop dit project citizen science bedrijft: data worden gebaseerd op vondsten van burgers en via de website en andere communicatie ook aan hen teruggegeven.
Anneke de Maat is freelance redacteur en tekstschrijver.
Deze bijdrage komt uit IP #7/2021. Het hele nummer kun je hieronder lezen of downloaden.