Door Anne van den Dool
Nu veel bibliotheken vanwege corona noodgedwongen gesloten zijn, of dat in elk geval een lange tijd waren, groeit de behoefte aan nog meer vaart achter de ontwikkeling van een bibliotheek die altijd open is voor iedereen. Zo kan belangrijk werk, zoals onderzoek bij onderwijsinstellingen, gewoon blijven doorgaan. Wat zijn de mogelijke toepassingen van open source in bibliotheekland? Welke voor- en nadelen zijn er? En wat is ervoor nodig om de stap naar ‘open’ te zetten?
Als een van de eerste westerse landen werd Italië begin 2020 op grote schaal getroffen door het coronavirus. De Italiaanse regering wilde het virus zo snel mogelijk proberen in te dammen en sloot daarop alle culturele instellingen en niet-noodzakelijke winkels, maar ook alle hogescholen en universiteiten. Aanvankelijk moest deze laatste categorie alleen voor studenten de deuren gesloten houden, maar al begin maart werden de maatregelen verder aangescherpt en waren alleen werknemers nog welkom die nodig waren om de instellingen draaiende te houden.
In een hoog tempo werd het onderwijs omgeturnd tot een online variant. Al een maand na de sluiting lieten Italiaanse universiteiten weten 94 procent van hun lessen online te organiseren, waarmee zij 1,2 miljoen studenten de mogelijkheid boden hun studie voort te zetten. Tienduizenden examens werden via deze vorm van afstandsonderwijs afgelegd.
Geen mens erin, geen letter eruit
Tegelijkertijd kon een belangrijk deel van het Italiaanse onderwijs geen doorgang vinden, omdat de bibliotheken van hogescholen en universiteiten niet langer toegankelijk waren voor studenten, docenten en onderzoekers. Een reusachtige hoeveelheid kennis, onmisbaar voor het voortzetten van studies, programma’s en onderzoeken, zat verborgen achter gesloten deuren. Geen mens kon erin, geen letter kon eruit.
En zo kwam het onderwijs in Italië toch tot stilstand. Promotietrajecten werden tijdelijk stopgezet, in afwachting van het moment dat de benodigde bronnen weer toegankelijk zouden zijn. De aanhoudende situatie maakte steeds meer duidelijk dat voor een bloeiende onderzoeks- en onderwijsinstelling een toegankelijke bibliotheek onontbeerlijk is – en dat in een tijd waarin de daar vindbare informatie noodzakelijk was voor de bestrijding van het virus dat instellingen juist noodzaakte hun deuren gesloten te houden.
Tegenbeweging
Al snel ontstond echter een tegenbeweging. Bibliotheken in Italië probeerden studenten en onderzoekers te ondersteunen door de toegang tot digitale bronnen te verbeteren en deze te promoten. Sommige academische bibliotheekdiensten verzamelden zelf open access-bronnen over het coronavirus als hulp aan onderzoekers die betrokken waren bij de bestrijding van de pandemie. Ook stelden enkele uitgevers hun collecties open, inclusief tekstboeken voor studenten. Internationaal kreeg deze ontwikkeling navolging en zochten uitgevers naar manieren om met name de informatie die bij de bestrijding van het coronavirus van waarde kon zijn, beschikbaar te maken voor onderzoekers.
Toch ging het om slechts een kleine selectie van alle bronnen die in bibliotheken te vinden zijn. Bovendien was veel van de informatie alleen op aanvraag beschikbaar. Clausules in abonnementslicenties belemmerden de vrije verspreiding van documenten, bijvoorbeeld door beperkingen op te leggen aan het aantal downloads of het gelijktijdig gebruik van een en dezelfde bron. Daardoor kon kennis, juist in een tijd waarin het zo hard nodig was, veel minder gemakkelijk worden verspreid en gedeeld.
Muur van beperkingen
Zo toonde de pandemie, die de wereld inmiddels een jaar in haar greep houdt, het belang aan van open toegang tot kennis en informatie. Dat lijkt ondenkbaar in een tijd waarin e-books via allerhande platforms – legaal dan wel illegaal – worden verspreid en een belangrijk deel van de wetenschappelijke tijdschriften voornamelijk digitaal wordt doorgepluisd. Toch hoef je niet lang te zoeken om ook in Nederland tegen beperkingen aan te lopen, zowel in coronatijd als daarbuiten. Waar je als student of onderzoeker aan een Nederlandse universiteit vrij gebruik kunt maken van licenties die door de universiteitsbibliotheek worden ingekocht, geldt dat niet voor mensen die niet aan een universiteit verbonden zijn. Zij kunnen veel wetenschappelijke artikelen alleen tegen betaling raadplegen, waardoor de toegang tot kwalitatief hoogwaardige en betrouwbare informatie in het geding komt. Denk in dit geval aan alumni die zich na hun afstuderen verder willen verdiepen in een bepaald onderwerp. Of aan journalisten, docenten, artsen of burgers in andere beroepen die ‘gesloten’ wetenschappelijke informatie goed zouden kunnen gebruiken om hun artikelen te verbeteren, om hun onderwijspraktijk te verrijken of om simpelweg beter te worden in hun vak.
Veel systemen mogen dan misschien open lijken in hun verspreiding van kennis en informatie, maar zijn dat dus slechts in beperkte mate. Ouderwets in een tijd waarin fake news hoogtij viert en we niets liever willen dan toegang tot betrouwbare informatie. Vreemd in een tijd waarin we op alle mogelijke manieren ons best doen om niet opnieuw het wiel uit te vinden, maar juist voort te bouwen op de inspanningen van onze voorgangers. En funest in een tijd waarin zo’n kennismuur ervoor kan zorgen dat de wetenschap niet de stappen maakt die nodig zijn om een pandemie de kop in te drukken.
Prijskaartje
Tijd, kortom, voor een meer open omgang met de bronnen die in bibliotheken te vinden zijn. Wat zijn nu precies de beperkingen die deze ontwikkeling belemmeren? Ze kwamen ook al om de hoek kijken tijdens de coronacrisis: de kosten van de wetenschap en de vraag wie daarvoor moet opdraaien. Wanneer een product voor de eindgebruiker gratis is, betaalt een andere partij in het proces de prijs. De vraag is wie dat zou moeten zijn in het geval van het verschaffen van vrije toegang tot informatie. Is het de student, die zelden bereid is de prijs voor een wetenschappelijk artikel te betalen? (In de regel zijn dit algauw enkele tientallen euro’s.) Is het de universiteit of hogeschool, die zichzelf met het geven van deze toegang nog meer kosten op de hals haalt? Is het de uitgever, die met de hand over het hart moet strijken omwille van het goede doel? Aan onderzoek hangt nu eenmaal een prijskaartje, en dat geldt net zo goed voor de woorden die binnen dat kader worden geproduceerd.
Daarnaast zorgt een open bibliotheek voor een grotere kans op verspreiding van informatie onder partijen die minder goed weten hoe ze die moeten interpreteren. Een beperking in de toegankelijkheid helpt bij het waarborgen van universitaire bronnen: het voorkomt dat niet iedereen voor onderzoeker kan spelen en het veld vervuild raakt door huis-tuin-en-keukenwetenschappers die niet op de juiste manier met de beschikbare informatie zijn omgesprongen. Het risico op verdere verspreiding van fake news ligt daarmee ook binnen het wetenschappelijke veld op de loer.
Softwarekeuze
Deze zelfde vraagstukken spelen op het gebied van software die bibliotheken kunnen gebruiken om hun systemen zo soepel mogelijk te laten draaien. Ook op dat niveau kan worden gekozen voor een open variant; software die vaak minder licentievalkuilen heeft en in de regel goedkoper is. Ook blijkt dat deze softwarevorm in kwaliteit zeker niet onderdoet voor de ‘gesloten’ concurrentie: juist omdat de code voor de hele wereld inzichtelijk is, doen de makers extra hun best om alles zo goed mogelijk te laten functioneren. Daarbij zorgt een doorgaans groot team dat de software up-to-date blijft en indien nodig verbeterd en aangepast wordt aan de wensen van de eindgebruiker.
Toch moeten ook bibliotheken die overgaan op een open source-systeem rekeninghouden met een aantal mogelijke tegenslagen. In sommige gevallen bevindt de software zich nog in een vroeg ontwikkelingsstadium, waardoor niet alle benodigde toepassingen mogelijk zijn. Ook kost de overschakeling naar een ander systeem vaak tijd en energie, hetgeen kosten met zich meebrengt. Daarbij is bij open source-systemen geen enkele partij specifiek verantwoordelijk voor het gebruik en de ontwikkeling van de software, waardoor de mogelijkheid bestaat dat je blijft zitten met een gemankeerd product.
Open source-bibliotheek
Voor bibliotheken die toch die uitdaging aangaan, zijn er verschillende manieren om een open source-bibliotheek op te zetten. Denk bijvoorbeeld aan Koha, een open source integrated library system (ILS) afkomstig uit Nieuw-Zeeland, dat inmiddels naar schatting door meer dan vijftienduizend bibliotheken wordt gebruikt. Een flinke community van ontwikkelaars en gebruikers zorgt ervoor dat de software up-to-date blijft. Hoewel de populariteit van Koha blijft groeien, is het voorlopig vooral in trek bij kleinere bibliotheken; grotere kiezen nog vaak voor een traditioneel softwarepakket. Onder meer het Rijksmuseum in Amsterdam, het Koninklijk Conservatorium Brussel (KCB) en de drie Antwerpse musea van de Museumstichting (FotoMuseum, ModeMuseum en Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamant DIVA) zijn afnemer van het Koha-pakket, dat vrij downloadbaar is, zonder registratieplicht.
Open architectuur
Een andere speler is FOLIO (afkorting van Future Of Libraries Is Open), een samenwerkingsinitiatief van bibliotheken, leveranciers en ontwikkelaars dat sinds 2019 voor bibliotheken beschikbaar is. Binnen dit platform, mede gecreëerd, gefinancierd en ondersteund door EBSCO, kan iedereen een actieve bijdrage leveren, bijvoorbeeld in de vorm van functionele expertise of code.
FOLIO werd bijvoorbeeld al geïmplementeerd bij de Chalmers University of Technology in Zweden, die zich in 2017 als eerste partner aanmeldde en daarmee als toetssteen diende voor de hele academische bibliotheekbranche. Daniel Forsman, directeur van de universiteitsbibliotheek van Chalmers, sprak bij de implementatie over een ‘moderne, flexibele en open systeemarchitectuur’, die niet alleen dienstdoet als bibliotheekserviceplatform, maar ook als manier om bibliotheken meer met elkaar te laten samenwerken. Ook hij zag bij de overstap al de mogelijkheid tot kostenbesparing en de implementatie van beter passende werkprocessen, waardoor onderzoek en onderwijs kunnen worden gedeeld met een wereldwijd publiek.
In die visie komen verschillende vormen van open access in het bibliotheekveld samen. Met de stip op de horizon van een gezamenlijk bibliotheeksysteem dat grenzen overschrijdt, kunnen sneller stappen worden gezet in de vrije beschikbaarstelling van kennis en informatie én in de ontwikkeling van het platform dat dit mogelijk maakt. Dat is niet alleen goed nieuws voor de bibliotheek en haar eindgebruikers, maar ook voor iedere voorstander van een open, goed geïnformeerde en zich ontwikkelende maatschappij.
Over EBSCO Information Services
EBSCO is naast trekker van het FOLIO-project ook leverancier van online wetenschappelijke content. Zij heeft onder meer honderden databanken en historische archieven in haar aanbod. Daarmee beheert zij wereldwijd meer dan 360.000 tijdschriften en uitgeverspakketten, evenals de toegang tot ruim 1 miljoen e-books.
Vrije toegang is hot
Veel wetenschappelijke artikelen worden tegenwoordig digitaal gepubliceerd. Daardoor woedt een steeds heftiger discussie over het toegangsmodel. Er komt een tegenbeweging op gang, in de vorm uitgevers, servers, university presses en ontwikkelaars van samenwerkingsomgevingen, die zich hardmaakt voor vrije toegang tot deze informatie. Ook de Nederlandse regering ziet de voordelen van een zo breed mogelijke verspreiding van wetenschappelijke kennis. Daarom werd in het regeerakkoord van 2017-2021 open access opgenomen als de nieuwe norm in wetenschappelijk onderzoek, mede naar aanleiding van het Nationaal Plan Open Science, in 2017 opgesteld door onder meer de Koninklijke Bibliotheek, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijke Onderzoek (NWO) en de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Dit betreft niet alleen het publicatieproces, maar elke stap richting het eindproduct. Ook de Europese Commissie en verschillende andere landen sluiten zich aan bij deze ontwikkeling.
Open source, open science
Een open source-bibliotheek past binnen een wereld waarin wetenschap in gezamenlijkheid sneller stappen kan zetten. Om dit te kunnen bereiken, kunnen de volgende richtlijnen worden aangehouden:
- Gebruikmaken van open data. De databestanden van onderzoekers worden omschreven en veilig opgeslagen, zodat andere onderzoekers er ook gebruik van kunnen maken. Dit maakt onderzoek beter te reproduceren, waardoor de betrouwbaarheid wordt vergroot.
- Waardering en evaluatie. In de klassieke onderzoekswereld worden wetenschappers beoordeeld op het aantal artikelen dat ze schrijven voor dure wetenschappelijke tijdschriften. In de wereld van open science gaat dat anders: er wordt bijvoorbeeld ook gekeken naar onderwijsactiviteiten en de maatschappelijke waarde van het onderzoek.
- Open educatie. Steeds meer universiteiten stellen hun colleges online beschikbaar, zodat universitair onderwijs voor iedereen beschikbaar wordt. Zij dragen daarmee bij aan een open science-klimaat.
- Burgerwetenschap. Er werd lange tijd met licht opgetrokken wenkbrauwen naar gekeken, maar inmiddels is de participatie van burgers in het wetenschappelijke proces niet meer weg te denken uit de wereld van het onderzoek. Zij kunnen bijvoorbeeld bijdragen door zelf data te verzamelen of door bij te dragen aan het opstellen van het onderzoek.
Anne van den Dool is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist.
Deze bijdrage komt uit IP #2/2021. Het hele nummer kun je hier lezen.