Jaarlijks onderscheidt het Victorine van Schaickfonds publicaties die vernieuwing in het informatievak helpen stimuleren. Dit jaar viel de eer te beurt aan Cornelis van Lit (penning), Helena Schöb (scriptieprijs), muziekbibliotheek De Intro (aanmoedigingsprijs) en Eimer Wieldraaijer (oeuvreprijs). IP ging met Van Lit en Schöb in gesprek over hun onderzoeken en ambities.
Door Anne van den Dool
CORNELIS VAN LIT (VICTORINE VAN SCHAICK PENNING, 2500 EURO):
ONDERZOEK NAAR GEDIGITALISEERDE MANUSCRIPTEN
De publicatie van onderzoeker/islamoloog Cornelis van Lit ontstond uit pure verbazing. Dankzij zijn fascinatie voor de geschiedenis van de islamitische filosofie werkt hij met grote regelmaat met middeleeuwse teksten. Niet zelden is het papieren manuscript niet langer voorhanden. Gelukkig beschikken we in de moderne wereld over technologie die ervoor kan zorgen dat de gedigitaliseerde versie in een vingerknip op ons beeldscherm verschijnt.
Maar wat zien we dan eigenlijk? Die vraag begon Van Lit zichzelf meer en meer te stellen, verwonderd als hij was dat collega’s daar niet bij stil leken te staan. ‘Het duurde een tijdje voordat ik begreep hoe achteloos we omgaan met het idee dat de gedigitaliseerde versie van een manuscript niet het echte manuscript is’, legt hij uit. ‘Het valt misschien te vergelijken met de geschiedenis van de fotografie: aanvankelijk dacht iedereen dat foto’s een objectief venster op de wereld konden bieden. Inmiddels weten we: een foto vertelt een eigen verhaal, dankzij een bepaald camerastandpunt, de kadrering, de belichting, noem maar op.’
Gladde interfaces
Dat geldt volgens Van Lit ook voor gedigitaliseerde teksten. ‘De interfaces waarin we deze manuscripten tot ons nemen, willen de gebruiker het liefst laten vergeten dat hij naar een gedigitaliseerde versie van een tekst kijkt. Met pijltjes kun je de pagina’s omslaan, waardoor je het gevoel hebt dat je in een echt boek bladert. Ook het zoeksysteem van veel bibliotheken geeft je het idee dat je door lijsten met fysiek beschikbare boeken bladert.’
Terwijl: niets is minder waar. ‘Je mist veel informatie als je niet het fysieke object in handen hebt’, aldus Van Lit. ‘Wanneer zich in een pagina een wormgat bevindt, schemert de tekst van de onderliggende pagina door de bovenliggende tekst heen. Voor je het weet transcribeer je een tekst verkeerd. Of wat dacht je van de grootte van het boek? Onderzoekers deden eens onderzoek naar een manuscript, denkend dat het om een omvangrijk boek ging, niet wetend dat het in feite een boekje op zakformaat was. Zo’n eigenschap verandert de context van het werk: in het geval van zulke afmetingen is het heel waarschijnlijk dat we te maken hebben met een reiseditie.’
Wisselende kwaliteit
De kwaliteit van afbeeldingen is behoorlijk wisselend. Van Lit: ‘Al een aantal jaar onderzoek ik digitale catalogi van bibliotheken over de hele wereld. Dan check ik bijvoorbeeld: is de catalogus ook doorzoekbaar in het Arabisch? Laten de foto’s elk deel van het object goed zien? Zijn de foto’s gefotografeerd op een neutrale achtergrond, met een goede lichtbalans, zodat de kleuren goed tot hun recht komen? Soms gaat men heel professioneel te werk, maar in andere gevallen is het ronduit behelpen.’
Wat zou Van Lit onderzoekers aanraden? ‘Allereerst: wees je bewust van het feit dat je met een gedigitaliseerd manuscript werkt, en geef dit ook aan in je bronvermelding. Daarnaast: ga indien mogelijk met de fysieke tekst aan de slag. Je excellentie als onderzoeker schuilt in de minieme details die je over een boek ontdekt, en die komen op een scherm lang niet altijd naar voren.’
Waar kunnen onderzoekers op letten wanneer ze met een gedigitaliseerde versie van een tekst aan de slag gaan? ‘Let goed op de resolutie van de foto’s en maak bij voorkeur gebruik van afbeeldingen in kleur. Check bovendien of alle folio’s wel zijn ingescand, en of de randen van het werk zichtbaar zijn, zodat je zeker weet dat de hele pagina zichtbaar is. Als het beeldmateriaal onverhoopt van onvoldoende kwaliteit is, kies dan een ander onderzoeksobject. Je kunt een onderzoek niet op te veel gissingen baseren. Tot slot: neem je verantwoordelijkheid. Laat je onderwijzen in de mogelijkheden van de programma’s en interfaces die je gebruikt. Weet bijvoorbeeld hoe je een foto in zo goed mogelijke kwaliteit opslaat en welke verrijking het gebruik van een beeldbewerkingsprogramma kan bieden bij je onderzoek.’
Blijven reflecteren
Met zijn onderzoek ageert Van Lit dan ook niet tegen het gebruik van digitale versies van manuscripten. ‘Het feit dat de afgelopen jaren zo veel werken in digitale vorm beschikbaar zijn geworden, is voor het onderzoeksveld natuurlijk fantastisch’, vindt hij. ‘Met mijn onderzoek en boek probeer ik het bewustzijn van de eindgebruiker te vergroten, zodat die beter nadenkt over de foto’s waarvan hij gebruikmaakt. Een digitaal object is van zichzelf niets waard: het kan oneindig vaak worden gekopieerd en uitgewisseld. Het materiële object, daarentegen, is vaak juist enorm waardevol. De enorme digitaliseringsslag die de afgelopen jaren is gemaakt, zorgt ervoor dat collecties niet langer kunnen leunen op de bijzondere boeken die ertoe behoren. Manuscripten kunnen zich tegenwoordig in vele collecties tegelijk bevinden. Dat komt het onderzoek enorm ten goede, maar we moeten wel aandacht blijven houden voor het object waarmee we werken.’
Nog steeds, na al die jaren onderzoek, beschouwt Van Lit zichzelf niet als een expert. ‘Ik ben ook gewoon een gebruiker die zijn ervaringen beschrijft en daarop reflecteert. Blijkbaar valt dat in de smaak.’
Cornelis van Lits publicatie ‘Among Digitized Manuscripts; Philology, Codicology, Paleography in a Digital World’ verscheen bij Brill en is compleet open access beschikbaar via de website van de uitgever. Daarnaast reflecteert Van Lit uitgebreid op dit vraagstuk in zijn blog The Digital Orientalist.
HELENA SCHÖB (SCRIPTIEPRIJS, 1500 EURO):
MOGELIJKHEDEN VAN VIRTUAL REALITY BIJ DE DIGITALISERING VAN CULTURELE OBJECTEN
Helena Schöb sloot deze zomer haar master Book and Digital Media Studies aan de Universiteit Leiden af met een onderzoek getiteld ‘The Simulacrum is True’, over de mogelijkheden die virtual reality-technieken bieden bij het digitaal toegankelijk maken van manuscripten, kunstwerken en andere culturele objecten. ‘Voor geesteswetenschappers is en blijft het materiële object heel belangrijk’, licht Schöb toe. ‘Ze zijn bijvoorbeeld niet alleen geïnteresseerd in de inhoud van een manuscript, maar ook in de staat waarin het verkeert, zoals de aan- of juist afwezigheid van krasjes of scheurtjes. Bij het digitaliseren van een object is het belangrijk ook die eigenschappen te behouden – terwijl dat proces nu nog vaak wordt ingestoken vanuit de wens de informatie die in dat manuscript ligt opgeslagen te behouden.’
Driedimensionaal digitaliseren
Een driedimensionale benadering van dat digitaliseringsproces, bijvoorbeeld middels virtual reality, zou in de behoefte ook de materiële eigenschappen te behouden kunnen voorzien, aldus Schöb. ‘Daarnaast kun je het object verrijken met gerelateerde informatie en het in een historische en culturele context plaatsen. CyArk, een samenwerking met Google Arts & Culture, is daarvan een mooi voorbeeld; deze organisatie maakt kwalitatief hoogwaardige driedimensionale scans van erfgoedlocaties over de hele wereld. Ook het Rijksmuseum heeft een mooie app: de Rijksstudio, waarin je je eigen collectie kunt samenstellen en zelfs door het museum kunt lopen.’
Zorgt zo’n nauwkeurige nabootsing van het materiële object er niet voor dat dit object uit het zicht verdwijnt? Daar hoeven we volgens Schöb niet al te bang voor te zijn. ‘Filosoof Walter Benjamin sprak al in de jaren dertig van de vorige eeuw over het aura van een object dat verloren gaat bij een mechanische reproductie, zoals in de vorm van een foto. Dat is echter een ander verhaal dan een digitale reproductie: we hebben dan te maken met een radicaal andere ervaring van een object, waardoor je niet eens verwacht hetzelfde aura aan te treffen. In het geval van een omzetting naar een digitale vorm hebben we te maken met een evenement, met een nieuw, eigen aura. Waar een historisch object ons doet nadenken over de geschiedenis, kan een digitaal object ons juist in contact brengen met de toekomst, en ons laten nadenken over de vraag hoe dat object ook in de toekomst zo goed mogelijk kan worden bewaard.’
Plek in het curriculum
Schöb zou het mooi vinden als virtual reality een plek krijgt in het curriculum van middelbare scholen. ‘Zo kan geschiedenis tot leven komen in een wereld die voor leerlingen heel toegankelijk is. Daarnaast wil ik musea van harte aanmoedigen niet te bang te zijn voor deze nieuwe digitale middelen. Ik ben dol op musea en het culturele erfgoed dat ze tentoonstellen, maar vaak gaan ze wat puristisch te werk: ze willen het object tonen zoals het is, zonder te veel ruis.’
De mooiste projecten op dit vlak zijn vaak niet afkomstig van musea zelf, maar van andere bedrijven, zoals Google, ziet Schöb. ‘Dat is ook logisch, gezien het prijskaartje dat eraan hangt. Structurelere financiering en meer samenwerking tussen musea zou hierbij kunnen helpen. Ik wil culturele instellingen op het hart drukken dat materieel en digitaal elkaar niet in de verdrukking hoeven te brengen: ze kunnen ook heel goed naast elkaar bestaan. De aantrekkingskracht van het fysieke object blijft onverminderd groot.’
Initiatiefprijs voor vernieuwende muziekbibliotheek
De initiatiefprijs is dit jaar gewonnen door het team van De Intro, de muziekbibliotheek van het Belgische Genk. De jury roemde de eigentijdse wijze waarop de functie van de muziekbibliotheek wordt neergezet in een tijd waarin deze tak van het bibliotheekwerk door de opkomst van streamingmogelijkheden sterk onder druk staat. De Genkse muziekbibliotheek brengt de muziek uit de bibliotheekcollectie op een enthousiasmerende manier onder de aandacht.
‘Een hedendaagse muziekbibliotheek is veel meer dan een verzameling cd’s en muziekboeken’, aldus het team van De Intro. ‘We willen zo veel mogelijk mensen op een laagdrempelige manier muziek laten proeven en ontdekken. Daarom krabben en dabben we in het heden, het verleden en de toekomst van muziek, onder meer met blogs (https://deintro.wordpress.com). Met onze teksten willen we de lezer verrijken, verbazen en prikkelen. Muziek is overal. Wij brengen het een beetje dichterbij.’ Het team ontvangt een geldbedrag van 2000 euro om de muziekbibliotheek verder te ontwikkelen.
Oeuvreprijs voor Eimer Wieldraaijer
Het Victorine van Schaickfonds eert bij uitzondering personen die door de omvang van hun schrijfwerk in het bibliotheek- en informatievak opvallen. Dit jaar viel die eer te beurt aan Eimer Wieldraaijer, die van 1991 tot begin dit jaar aan het roer stond van Bibliotheekblad, vakblad voor de bibliothecaire sector. Vanwege het coronavirus verliep zijn afscheid stiller dan gehoopt. Met deze prijs hoopt de jury de voormalig hoofdredacteur alsnog in het zonnetje te zetten.
In de bijna dertig jaar waarin Wieldraaijer het blad leidde, was hij getuige van grote veranderingen in de bibliotheeksector. De krimp van het aantal bibliotheekorganisaties en -medewerkers en de rappe digitalisering zetten ook het bestaan van het blad onder druk. Bibliotheekblad wisselde meermaals van eigenaar. Het fonds roemt het zachtmoedige ondernemerschap van Wieldraaijer, dat ervoor zorgde dat het blad op het juiste moment onder de juiste vleugels terechtkwam. Ook schreef hij zelf druk mee aan artikelen, interviews en commentaren, en was hij verantwoordelijk voor het optuigen van de verkiezing van de Beste Bibliotheek en Beste Bibliothecaris van Nederland.
Victorine van Schaick
De Victorine van Schaickprijs is vernoemd naar Victorine van Schaick, een Nederlandse bibliothecaresse en docente die zich in haar leven sterk heeft gemaakt voor het bibliotheek- en informatievak. Nadat ze in 1976 bij een verkeersongeluk om het leven kwam, richtten vakgenoten het Victorine van Schaickfonds op, waaraan Van Schaicks familie haar hele nalatenschap doneerde. Sinds 1978 onderscheidt het fonds jaarlijks publicaties die bijdragen aan vernieuwing van het informatievak, in samenwerking met beroepsvereniging KNVI. Dit jaar waren er 26 inzendingen die meedongen naar één van de Victorines. De inzendingen waren volgens de jury allemaal van hoge kwaliteit, waardoor het ‘een genoegen was om ze te lezen, bekijken en waarderen’.
Anne van den Dool is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist.
Deze bijdrage komt uit IP #9/2020. Het hele nummer kun je hier lezen.