Door Jeff Love
Ruim een jaar nu is Jeff Love research fellow bij de KB – zijn huidige onderzoekslijnen ‘vormen een fusie van filologie, bibliotheekwetenschap en ontwerp’. In dit artikel geeft hij een inkijkje in zijn denk- en werkwijzen. ‘We bouwen geleidelijk aan een corpus van kennis over hoe we willen dat onze bibliotheken zich in de toekomst ontwikkelen.’
Sinds september 2024 zwerf ik één dag per week door de gangen van de KB. Het is inmiddels een vast onderdeel van mijn dagelijks werk als assistant professor of Digital Design History & Heritage aan de TU Delft. Deze mogelijkheid ontstond via ons gedeelde Future Libraries Lab, waar we experimenteren, verkennen en innovatieve ontwerpen voor cultureel erfgoed ontwikkelen. Mijn detachering bij de KB biedt kansen om ontwerp en cultuur te mengen, en een sterkere band tussen deze twee werelden – als ze al werelden genoemd kunnen worden – blijft een van mijn niet-zo-geheime academische doelen.
Beide delen gemeenschappelijke ambities: werken aan maatschappelijk welzijn, versterken van individuen en aandacht hebben voor detail. De meeste gesprekken die ik in de bibliotheek voer raken aan kernonderwerpen uit het ontwerpveld, zoals cocreatie, experimenteren of bruikbaarheid, en terug op de universiteit neem ik de waarden van de bibliotheek mee: publiekgerichtheid, pluraliteit, kennis. Deze dienen als kompas in een wereld waarin ontwerp overal en alles kan zijn.
‘Generous interfaces’
Bibliotheken en archieven over de hele wereld vormen al jarenlang mijn werkbasis, eerst als mediëvist en catalograaf van bijzondere collecties en later als data librarian. Mijn huidige onderzoekslijnen vormen een fusie van filologie, bibliotheekwetenschap en ontwerp, waarbij GLAM-collecties (galleries, libraries, archives & museums) mijn primaire studieobject zijn, naast de bron van historische informatie waarin ik blijf graven. Tegenwoordig bedenken en testen mijn studenten en ik talloze manieren om ‘generous interfaces’ voor erfgoedcollecties te maken (een concept dat ik heb overgenomen uit het inzichtelijke werk van Mitchell Whitelaw). We zoeken naar nieuwe apparaten en nieuwe vormen van interactie waarmee mensen zich kunnen verbinden met erfgoed, idealiter op manieren die voor culturele dwalers persoonlijk betekenisvol zijn.
Onze inspanningen missen soms hun doel, maar de mislukkingen zijn leerzaam; universiteiten en derdeplekken zoals GLAM-instellingen behoren tot de weinige plaatsen waar zulke vrije experimenten kunnen plaatsvinden. Onze zoektocht naar wat nuttig is binnen opkomende technologieën (en wat niet), het inbedden van diverse waarden en het uitproberen met unieke materialen vormen samen eindeloos boeiend werk.
Prototypes bouwen, systemen testen
Mijn belangrijkste doel als wetenschapper is het leveren van langzame, gestaag groeiende bijdragen aan onze kennisbasis over hoe we omgaan met (digitale) culturele materialen. Gewoonlijk zijn dit geschreven artikelen, nog steeds de dominante vorm van kennisproductie onder academici. Ik noem mezelf een ‘digital humanist’, wat inhoudt dat we naast traditioneel geesteswetenschappelijk onderzoek prototypes bouwen en systemen testen die mensen in de echte (of ten minste virtuele) wereld kunnen gebruiken. De focus blijft gericht op het verhelderen van onbekende hoeken van de cultuurgeschiedenis, maar research-through-design-methoden bieden ons manieren om het verleden te bestuderen via tools die we zelf bouwen.
Hoewel ik dit soort werk nu ongeveer vijf jaar doe, voelt het nog altijd een beetje vreemd en wonderlijk. Mijn studenten en ik proberen nieuwe ontwerpen uit die de bibliotheek zelf veranderen. Meestal op kleine maar betekenisvolle manieren, maar we dromen groot en bouwen speelse en eigenzinnige dingen, zoals virtuele pop-upboeken (zie de masterthesis en demo van Maarten van Geene) en machines die proberen gids te zijn (CuratorBot). We proberen deze welwillende gedachtewerkplaats levend en bloeiend te houden, en ik houd een lijst van alledaagsheden en eigenaardigheden bij om als volgende uit te proberen.
Overlappende interesses
Het werk van een academicus is grotendeels solitair, maar ik ben allerminst alleen. Ons Future Libraries Lab is een zone van overlappende interesses. Zoals veel culturele organisaties herbergt de KB een bont gezelschap aan mensen, en zelfs na twee jaar leg ik voortdurend nieuwe verbindingen met individuen of groepen met vergelijkbare doelen: collectiespecialisten, experts op het gebied van digitale content, contactpersonen vanuit de openbare bibliotheken, en vele anderen. Waar mogelijk breng ik de interesses van deze professionals samen met ontwerpstudenten die zich graag willen bezighouden met cultuur.
Aan de universiteit hebben we een sterke groep masterstudenten met persoonlijke motivaties om specifiek in de erfgoeddomeinen te werken, naast een veel grotere groep die in het algemeen met publieke instellingen wil cocreëren; dit is voor hen betekenisvol ontwerpend werk, iets wat, in hun woorden, ‘actually benefits people’. We bouwen geleidelijk aan een corpus van kennis over hoe we willen dat onze bibliotheken zich in de toekomst ontwikkelen, en we streven ernaar dit te blijven doen.
Ideeëntuin opzetten
Hier stuiten we echter op nieuwe uitdagingen: we hebben ideeën en goede wil in overvloed, maar studenten en academici kunnen slechts tot op zekere hoogte iets ontwikkelen. Wat doen we met al deze studies en experimenten? Onze werkende prototypes worden met minimale middelen gemaakt, terwijl uitvoerbare, onderhoudbare versies substantiële zorg en middelen vereisen die nauwelijks beschikbaar zijn. Binnen de KB proberen we een kleine ‘ideeëntuin’ op te zetten waar sommige hiervan kunnen floreren; een werk in uitvoering.
Innovatie op locatie
Mijn werk is hoofdzakelijk digitaal, dus hoewel ik niet per se aanwezig hoef te zijn, is er zeker een voordeel aan het zijn in de omgeving die ik probeer te vernieuwen. ‘Proximity matters’. Twee of drie keer per maand begin ik de dag met een ‘prototyping block’ samen met Celonie Rozema, de junior expert AI van de KB. We zitten achter een rij computers en bouwen dingen rond onze collecties. De afgelopen zes maanden experimenteerde ik met een omgeving waarin mensen hun eigen historische tekstbibliotheken kunnen samenstellen die ze vervolgens direct kunnen vertalen en doorzoeken.
Dit is ook de plek waar we enkele van de vele kant-en-klare tools van anderen oppikken en proberen aan te passen aan onze eigen doelen. Sommige dingen werken vrij goed, zoals distant viewing van een reeks handschriftillustraties en deze visualiseren (aan de hand van PixPlot). Andere keren delen we de frustraties van ontwikkelaars en onderzoekers overal ter wereld, schudden we onze vuisten en schreeuwen we tegen het scherm terwijl we proberen erfgoed-API’s op te sporen en te doorgronden of Pythoncode voor ‘image segmentation’ te debuggen.
Deze momenten zijn bijzonder waardevol om ideeën te verkennen en me te blijven richten op wat haalbaar of zelfs maar mogelijk is met de huidige tools voor digitale interacties en machine learning. Er is een grote kloof tussen wat technisch mogelijk is en wat voor een individu beheersbaar is. Iedereen zou prototyping blocks moeten hebben.
Lezen, lezen, lezen
De KB is een bibliotheek: een immense, en ik wil al haar (oké – vele) boeken lezen. Ik probeer minstens een uur per week te reserveren om gewoon door de open collectie van de KB te dwalen en te lezen. Ik ben al lange tijd voorstander van serendipiteit in bibliotheken (zoals in artikelen van Jon Rimmer et al. en Amanda du Preez), en er zijn nog maar weinig plaatsen waar dit kan nu fysieke collecties verdwijnen en steeds meer materiaal online staat. Serendipiteit is zelfs een specifiek onderwerp dat mijn studenten en ik proberen te vertalen naar online omgevingen (zie Yuchen Lei’s ontwerp Wander More: masterthesis en demo).
Voorlopig blijven de leeszaalvloeren me talloze schatten aanbieden: een Engelse vertaling van het Middelnederlandse Van de vos Reynaerde die ik oppakte om mijn wortels in de middeleeuwse literatuur te behouden, de Phaidon-atlas van eenentwintigste-eeuwse architectuur waar ik in blader voor inspiratie over duurzame bibliotheekgebouwen, en een reeks boeken over designgeschiedenis en de geschiedenis van Delft. Ik wil, nee: ik moet, ondergedompeld zijn in verhalen om gefocust te blijven op hoe je voor hen ontwerpt. Als ik de leiding had over een bibliotheek zou ik overwegen om iedereen dagelijks 30 minuten lezen te verplichten. Het is toch de reden dat we daar überhaupt zijn gaan werken, niet?
Jeff Love is assistant professor of Digital Design History & Heritage aan de TU Delft en research fellow bij KB, nationale bibliotheek.
Deze bijdrage komt uit het digitale magazine IP #9-2025. Klik op de onderstaande button om het hele nummer te lezen.
