Vorderingen in open acces: op weg naar de gouden route

De Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) maakte eind 2015 bekend dat het gelukt was om met Elsevier een principeakkoord te sluiten over open access. Niet alleen houden Nederlandse wetenschappers toegang tot wetenschappelijke artikelen bij Elsevier, het zou ook een mijlpaal betekenen in de transitie van Nederland naar open access. Dit is de derde deal van de VSNU na eerdere overeenkomsten met Springer en SAGE. Waar staan we nu? Hoe gaat het met deze overgang naar open access?

Door: Mathijs van Otegem 

Sinds de Berlin declaration on Open Access uit 2003 heeft de beweging naar open access aan kracht gewonnen. In 2013 kwam in Nederland open access in een stroomversnelling toen staatssecretaris Dekker zich expliciet hiervoor uitsprak: in 2018 zou 60 procent van de Nederlandse publicaties in open access moeten verschijnen en in 2023 alles. Dit zou in overleg moeten plaatsvinden, zonder bijkomende kosten. De staatssecretaris kondigde wetgeving aan als het niet vrijwillig zou lukken. Dit was in internationale context een bijzonder statement, om twee redenen. Bijna geen enkel land sprak zich zo duidelijk uit voor gold open access. In dit model betaalt de auteur en lezen is vervolgens gratis. De meeste landen kiezen de groene route: een artikel wordt op de klassieke manier gepubliceerd en is tegen betaling van abonnementskosten raadpleegbaar. De auteursversie mag daarnaast via een repository of de website van de auteur toegankelijk worden gemaakt. Alleen Groot-Brittannië koos voor goud, maar stelde daarbij wel aanvullende financiering beschikbaar. In Nederland moet het met gesloten beurs: gold open access mag niet meer kosten dan de huidige abonnementen.

Wegen naar gold OA

In 2015 liepen bij de Nederlandse universiteiten toevallig veel gezamenlijke licenties op grote pakketten e-journals af. De VSNU besloot dat dit het moment was om de omslag te maken. Elke uitgever kreeg bij de start van de onderhandeling een brief van de VSNU over het Nederlandse beleid, met als portee: substantiële stappen naar gold open access bij gelijkblijvende kosten. Een jaar later zijn er met drie uitgevers nieuwe licenties afgesloten met een open access-component. Ruwweg zijn er drie wegen waarlangs de transitie van abonnementen naar open access zich voltrekt. In volgorde van radicaal naar voorzichtig: een directe omslag, een geleidelijke verschuiving in kosten van lezen naar publiceren of een abonnement met daarbovenop afspraken over open access.

Directe omslag

Het dichtst bij het beleid van de Nederlandse overheid is de directe omslag van abonnementsmodel naar open access: in plaats van te betalen voor toegang kopen de universiteiten de kosten voor publiceren in één keer af. De eerste deal die de VSNU sloot, had deze opzet: met Springer werd afgesproken dat Nederlandse wetenschappers gratis in hun tijdschriften mogen publiceren voor ongeveer het bedrag dat eerst de abonnementen kostten. Daarbij houden de Nederlandse universiteiten leesrechten op de pakketten die ze hadden.

De stap van Springer is gedurfd en uitzonderlijk. Een recent voorbeeld van een omslag waaraan uitgevers niet meewerkten, is LingOA: vier toonaangevende tijdschriften in de linguïstiek besloten hun uitgever te verlaten en door te gaan als open access-tijdschrift bij een andere uitgever. Zo is dit vakgebied in één keer overgestapt. De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) subsidieerde dit project met 20.000 euro per tijdschrift.

Geleidelijke overgang

De meeste uitgevers zijn bereid mee te werken aan een geleidelijke overgang. Ze willen wel, maar zijn huiverig veel omzet te verliezen. Onderdeel van de afspraken naast een collectieve licentie is dan bijvoorbeeld een korting op de kosten van publiceren, de article processing charges (APC’s). APC’s bedragen al snel 2000 euro per artikel. Zouden de universiteiten zowel het abonnement als deze APC voor hun rekening nemen, dan betalen ze twee keer: double dipping. Door een forse korting te geven op de APC wordt dit voorkomen en een transitie mogelijk gemaakt.

Dit is het model dat met uitgever SAGE is gevolgd. Daarbij is overeengekomen een deel van de kosten die eerst voor het abonnement werden gemaakt, te gebruiken als prepaidfonds om APC’s af te kopen. Zo ontstaat een hybride model waarin geleidelijk de overstap gemaakt kan worden van betalen voor lezen, naar betalen voor publiceren. Door te spelen met de korting op de APC’s en te schuiven in de verhouding tussen kosten voor abonnementen en APC’s, is er veel flexibiliteit.

Open access als add on

Nog een stapje behoudender is een klassieke licentie sluiten en daar afspraken over open access aan toevoegen. Dit lijkt het model te zijn voor de nieuwe overeenkomst met Elsevier. De VSNU was karig met details in de berichtgeving, maar toch valt er wel een en ander tussen de regels door te lezen. De Nederlandse universiteiten houden toegang tot de artikelen – het volledige abonnement dus. Er komt een gelijkmatige groei van 10 procent per jaar naar 30 procent open access zonder meerkosten. Dat laatste is vreemd, want het is moeilijk voor te stellen dat Elsevier hier geen tegenprestatie voor zou verlangen. De enige conclusie kan dus zijn dat de VSNU op licentievoorwaarden heeft ingeleverd ter waarde van 30 procent open access.

Geen open access, ook geen prijsstijging

Tot slot zijn er ook uitgevers waar er in het geheel geen beweging zit naar open access. In die gevallen is een alternatieve uitkomst van de onderhandeling om de bestaande licentie te handhaven tegen nul procent prijsstijging totdat de uitgever wel bereid is te bewegen. Dit is in Frankrijk de uitkomst geworden van de onderhandelingen met Elsevier.

Is gold open access duurder?

Drie modellen, drie uitkomsten alleen al afgelopen jaar. Hoe moeten we dit zien, en waar doen we goed aan? Om dit te beoordelen moeten we ons eerst afvragen hoe realistisch het is om uit te gaan van een totale omslag naar OA zonder meerkosten. Zou je het aantal publicaties uit Nederland bij een uitgever vermenigvuldigen met een gemiddelde standaard APC, dan kom je hoger uit dan de huidige licentiekosten. Niet realistisch dus. Daar staat tegenover dat er een brede consensus is (behalve bij uitgevers) dat de standaard APC’s te hoog zijn.

De Max Planck Gesellschaft publiceerde vorig jaar een rapport waarin werd voorgerekend dat voor de meeste landen gold OA goedkoper zou moeten zijn dan de huidige licentiekosten. De VSNU omarmde dit rapport direct.

Voor Nederland stond de berekening er echter niet in en die pakt niet vanzelfsprekend goed uit. Nederland publiceert veel meer dan het leest, dus zou veel kosten maken bij 100 procent open access. Daarbij behoorden de Nederlandse universiteitsbibliotheken tot de eerste ter wereld die collectief scherp onderhandelden over grote licentiepakketten. De huidige licenties zijn in vergelijking met andere landen daardoor meestal scherp geprijsd. Als netto kennisproducent wordt OA ondanks de scherpe onderhandelingen voor Nederland waarschijnlijk wel duurder.

Doen we hier goed aan?

Dit biedt de context om de bovengenoemde deals te evalueren. De directe overstap naar gold OA met Springer lijkt verreweg de beste deal. Naar verluidt is de omslag per direct gemaakt tegen zeer geringe meerkosten. Derk Haank, CEO van Springer, was in een interview in NRC Handelsblad hier laconiek over: het maakt hem niet uit of de lezer betaalt of de auteur. Hij waarschuwt wel dat open access duurder wordt voor de academische gemeenschap.

Een derde van zijn klanten zijn bedrijven die niet publiceren maar wel abonnementen afnemen. Hun rekening komt dan bij de universiteiten terecht. Dit roept vraagtekens op bij wat eerst een goede deal leek. Als de rekening van een derde van de klanten van Springer verschuift bij open access naar universiteiten en Springer is bereid de Nederlandse universiteiten over te laten stappen naar open access voor hetzelfde bedrag als we vroeger betaalden, dan hebben we dus steeds te veel betaald voor onze licentie. Er zat in ieder geval zoveel marge dat dit kon met gesloten beurs.

LingOA is een interessant initiatief waarbij niet de uitgever overstapt maar het collectief van auteurs. Het voordeel is dat zo een heel vakgebied in één keer overgaat. Vraag is wel of dit ook werkt voor grotere vakgebieden dan de linguïstiek. De subsidie van NWO is bedoeld om transitiekosten te dekken, maar het is de vraag of het lukt de stap te maken naar een echt open access-tijdschrift waarbij de auteur betaalt. Veel open access-titels begonnen met subsidie zonder APC’s in rekening te brengen en stierven zodra de subsidie stopte.

Het hybride model is het meest flexibel en dit is de kracht en de zwakte. Het maakt een geleidelijke, gecontroleerde transitie mogelijk. Tegelijk ligt hier het risico van double dipping op de loer. Het vergt stevig rekenwerk om telkens weer de afweging te kunnen maken of een verschuiving een stap is naar open access of naar kostenverhoging. Voordeel is wel dat het proces ook weer omkeerbaar is. Bij een volgende onderhandeling ligt het veld weer open. Dat kan een voordeel zijn want het is onvoorspelbaar hoe en in welke tempo de ontwikkeling naar OA zich gaat voltrekken.

De keus om OA als add on op de licentie te zetten in ruil voor minder goede voorwaarden lijkt me een doodlopende weg. Op de korte termijn is dit een aantrekkelijke optie want bij een gelijkblijvende rekening kunnen toch stappen richting OA worden gezet. De eindstreep kan echter op deze manier nooit gehaald worden.

Wat doet de VSNU over drie jaar om van 30 procent naar 50 procent OA te komen? Dit lukt alleen als gekozen wordt voor een ander transitiemodel en dan volgt de rekening alsnog. Als het echter lukt om meerdere uitgevers de volledige omslag te laten maken net als Springer, dan is er een kans dat Elsevier uiteindelijk ook de markt volgt en bereid is verdere stappen te zetten. In dit licht bezien is de Franse route nog niet eens zo slecht. Als je er niet uitkomt met een uitgever de boel bevriezen op nul procent. Geen pakketten uitbreiden, geen prijsstijging, ook geen inflatiecorrectie.

Relatief gezien loopt dan de omzet van de uitgever terug en komt er een keer een moment dat wel een constructieve onderhandeling mogelijk is. Deze strategie levert geen persberichten op, maar geduld is een schone zaak. En de bibliotheken worden er in ieder geval niet slechter van.

Misschien toch meer green?

De focus in Nederland op de gouden route heeft de aandacht voor groene open access wat doen verslappen. Niet bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), die in november kwam met een aanscherping van haar subsidievoorwaarden. Alle publicaties die voortkomen uit onderzoek dat vanaf 1 december 2015 met NWO-geld is gefinancierd, moeten direct openbaar toegankelijk zijn. Dit kan natuurlijk door ze als Gold open access-publicatie de wereld in te sturen, maar meestal zal dit zijn door de auteursversie in het repository van de eigen instelling te zetten en daarnaast via de webpagina van de onderzoeker toegankelijk te maken. Soms eisen uitgevers een embargoperiode: dan mag de auteursversie pas openbaar gemaakt worden na 6, 12 of 24 maanden na verschijnen van het artikel bij de uitgever. Met de embargo’s rekent NWO nu af door deze aanscherping. Het resultaat zal nog moeten blijken, maar het is hoe dan ook een stap in de goede richting. Steeds meer subsidiegevers stellen eisen aan de toegankelijkheid van publicaties. Zo dragen ze effectief bij aan open access.

Tekst en datamining

Een ander aspect dat in Nederland niet veel aandacht heeft gekregen is de mogelijkheid tot tekst en datamining. Het gaat niet alleen om het lezen van losse artikelen. Je kunt ook grote hoeveelheden artikelen downloaden en verzamelen in een database om vervolgens met slimme algoritmes te zoeken naar patronen. Sommige uitgevers zijn huiverig voor het op grote schaal downloaden en staan dit dan ook niet toe, ook niet als de universiteit al een licentie heeft gekocht voor ditzelfde materiaal. In een open access-wereld is dit type gebruik geen probleem meer. LIBER, de European Association of Research Libraries, lobbyt al geruime tijd voor het toestaan van tekst en datamining. Het is een succes dat in december 2015 in de visie van de Europese Commissie op de modernisering van de Europese auteurswet richtlijn tekst en datamining expliciet wordt genoemd als nieuwe uitzondering die mogelijk toegestaan gaat worden.

Waar is de wetenschapper?

In alle discussies over modellen en onderhandelingen zou je haast vergeten dat het over onderzoek gaat. Waar zijn de wetenschappers in het hele verhaal? Het lijkt nog steeds een feestje van beleidsmakers: subsidiegevers, bestuurders, bibliotheken et cetera. De onderzoeker hoor je niet zoveel. Uitzonderingen daargelaten zoals de editors van de tijdschriften in LingOA: zij zijn echte voortrekkers. De grootste zorg van de meeste onderzoekers afgelopen maanden was toch dat ze straks misschien niet meer bij de artikelen uit Elsevier-tijdschriften zouden kunnen als de onderhandelingen zouden stuklopen. Niet dat hun bij Elsevier gepubliceerde artikelen niet meer hun eigendom zijn en achter slot en grendel zitten. Hier ligt nog een kans voor de universiteiten om duidelijk te maken wat de onderzoeker heeft aan open access. Het eigen repository kan hierin letterlijk grote diensten bewijzen. Gold open access vind ik prachtig, maar wel duur. Wat mij betreft loopt de weg naar goud via groen.

Matthijs van Otegem is redacteur van IP en directeur van de Universiteitsbibliotheek van de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Deze bijdrage komt uit IP nr. 1 / 2016. Het gehele nummer kun je hier lezen.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *