Boeken: geschiedschrijving of zelffelicitatie? Universiteitsbibliotheken van Leiden en Groningen geboekstaafd

Nederlandse bibliotheken zijn te bescheiden. Ze spelen een belangrijke rol in de Nederlandse maatschappij, maar scheppen daar nauwelijks over op, vindt Jos Damen. De onlangs verschenen boeken over de geschiedenis van de universiteitsbibliotheken in Groningen en Leiden maken dat enigszins goed.

Door: Jos Damen

De geschiedenis van Nederlandse bibliotheken als belangrijk onderdeel van cultuuroverdracht en kennisdeling is onderbelicht. Jammer, want over bibliotheken als die in Amsterdam, Delft, Nijmegen en Utrecht zijn interessante boeken te schrijven. Zeker, over de UB Utrecht verscheen 25 jaar geleden een eerste deel van een geschiedenis (tot 1936!). En over de Universiteitsbibliotheek Amsterdam is 20 jaar geleden ook een boekje geschreven. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag kreeg 15 jaar geleden een huldeboek, van de hand van het echtpaar M. Meijer en P.W. Klein, eminente historici. Maar verder blijft het boekenplankje leeg.

De geschiedenis van openbare bibliotheken in Nederland heeft in Paul Schneiders een goed pleitbezorger, bijvoorbeeld met zijn dikke boek Nederlandse bibliotheekgeschiedenis uit 1997. Er verschenen in de afgelopen jaren verder aardige werkjes van anderen, onder meer over de bibliotheken in Sneek, Alkmaar, Arnhem en Waalwijk, maar er zijn voldoende onderwerpen en bibliotheken onderbelicht: Amsterdam, Rotterdam, Thysiana Leiden.

UB Leiden én Groningen

Er is veel moois mogelijk. Dat maken twee boeken duidelijk die onlangs bijna tegelijkertijd verschenen. Allebei beschrijven ze de geschiedenis van een van de twee oudste nog bestaande universiteitsbibliotheken in Nederland: Leiden en Groningen. Tussen de twee uitgaven bestaan eigenlijk maar twee verschillen: de prijs en de taal. Het Leidse boek is in het Engels en kost 70 euro, de Groninger, in het Nederlands, slechts 25 euro.

De overeenkomsten tussen de boeken zijn talrijk. Beide beschrijven ongeveer 400 jaar bibliotheekgeschiedenis, chronologisch verteld en doorschoten met vele voorbeelden van bijzondere collecties. De respectievelijk 250 (Groningse) en 300 (Leidse) pagina’s staan boordevol met kleurige afbeeldingen van prachtboeken en prenten. Het hoge salontafelgehalte komt tot uitdrukking in het kloeke formaat en in het gewicht van de boeken: Leiden weegt 1,3 kilo, Groningen is met 1,6 kilo net wat zwaarder.

Gelijke opzet

De inhoudelijke opzet is verrassend gelijk: een bibliotheekgeschiedenis (collecties, gebouwen en bibliothecarissen) wordt in beide gevallen uitgebreid tot een cultuurgeschiedenis, met verhalen over handschriften, drukken en digitale boeken, over de opkomst van tijdschriften in de zeventiende eeuw (en over andere gestolde wetenschapsvormen), over schenkingen, oorlog en diefstal. Heel soms gaat het gelukkig ook over miskopen, homoseksualiteit, romantici en losbandigheid.

In beide boeken krijgen de speciale collecties ruim baan. Voor Groningen betekent dat bijvoorbeeld aandacht voor de oudste oud-Friese tekst, het Maerlant-handschrift, een bijbel van Luther, Scandinavica, Hispanica en de collectie rond De Ploeg. Leiden heeft bijna te veel om op te noemen: grote Oosterse collecties, de Aratea, archieven van geleerden als Jan Oort en Huizinga, fotocollecties…

Drie versies

Beide boeken zijn geschreven door (oud-)medewerkers van de bibliotheek. In Groningen waren dat Sybren Sybrandy en oud-bibliothecaris Alex Klugkist, die vlak voor het verschijnen van het boek overleed. Magna Commoditas (over de UB Leiden), geschreven door Christiane Berkvens, verscheen al in 2001 in het Nederlands (die editie is alleen nog antiquarisch verkrijgbaar voor circa 25 euro). In 2004 verscheen een Engelse samenvatting (ook uitverkocht) en nu ligt er dus een nieuwe en uitgebreide Engelse versie, in een nieuwe vertaling, met een toegevoegd hoofdstuk over de laatste tien jaar (geschreven door een anonieme auteur), met een keuze uit de collecties door de conservatoren en met interviews met gebruikers.

Knekelhuis

Het gevaar van auteurs uit eigen kring is dat te weinig afstand genomen wordt, waarmee ‘zelffelicitatie’ op de loer ligt. Groningers zijn gelukkig onderkoeld. De eerste zin van het voorwoord is een Gronings compliment: ‘Het kon minder.’ Vervolgens gaan de auteurs uitgebreid in op twee niet bepaald vleiende gedichten van Constantijn Huygens over de Groningse bibliotheek, waar ze het woord ‘knekelhuis’ uit de titel aan ontlenen.

Leiden trekt in het laatste hoofdstuk nogal een grote broek aan, maar dateert anderzijds het begin van de bibliotheek nu twaalf jaar later: in 1587, met de ingebruikneming van het gebouw aan het Rapenburg. Eerder werd vaak de schenking van de Polyglot Bijbel door Willem van Oranje (1575) als begin gezien.

Automatisering

De computer doet in de jaren zeventig zijn intrede in de bibliotheek. Eerst worden de titels geautomatiseerd (via microfiches naar een online catalogus in de jaren tachtig), dan de inhoud van de boeken en tijdschriften zelf (jaren negentig). E-journals, Google Books en Google Scholar krijgen in beide boeken enige aandacht. Ook het effect van internet op de collectie en op de dienstverlening komt aan bod, evenals het eigen digitale aanbod (zoals repositories). Toch blijft het fysieke bezoek hoog: bij Groningen zelfs tot 1,5 miljoen bezoekers per jaar.

Graag hou ik beide bibliotheken overigens aan hun grote woorden over het belang van gratis digitaal aanbod: worden deze fijne boeken zelf ook online beschikbaar gesteld?

Details

Nauwelijks kritiek dus? Vier kleine opmerkingen dan. Beide boeken gaan soms uitgebreid op detailkwesties in, zeker in de bespreking van de laatste decennia. Leiden neemt de aardige inleiding van Nicholas Basbanes uit de eerdere Engelse editie helaas niet over. Voor wat betreft de oorlogstijd wordt de niet erg moedige Groningse bibliothecaris De Buck ten onrechte met handschoentjes aangepakt. En cijfers zijn niet de sterkste kant: Groningen overdrijft het aantal uitleningen zelfs met een factor tien: 3 miljoen in plaats van 300.000 per jaar (pagina 178). Maar dat is allemaal muggenzifterij, die bijna ongepast is bij de verschijning van deze interessante, goed leesbare en overdadig geïllustreerde boeken.


Alex C. Klugkist en Sybren Sybrandy: Van knekelhuis tot kloppend hart. Geschiedenis van de Bibliotheek van de Rijksuniversiteit Groningen 1615 tot heden | Barkhuis & Universiteitsbibliotheek Groningen | 2012 | ISBN 9789491431180 | € 24,95 | Waardering: ●●●●○

Christiane Berkvens-Stevelinck: Magna Commoditas. Leiden University’s Great Asset. 425 Years Library Collections and Services | Leiden University Press | 2012 | ISBN 9789087281656 | € 69,95 | Waardering: ●●●●○


Jos Damen is hoofd van bibliotheek en IT bij het AfrikaStudiecentrum in Leiden.

Deze bijdrage komt uit IP nr. 1 / 2013. Het gehele nummer kun je hier lezen

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *