Een nieuwe invulling van het informatievak: de informatiespecialist van morgen is vrij

InformatieProfessional vroeg aan Edwin Mijnsbergen wat 2013 (en verder) gaat brengen. Een toekomstbeeld schetst hij aan de hand van zijn eigen beslissing om ‘bibliotheken los te laten… om zo het bibliotheekwerk wat ik voor ogen heb uit te kunnen voeren’. In een persoonlijk betoog pleit hij voor meer vrijheid voor informatieprofessionals om andere wegen te ontdekken. En daarmee het informatievak een nieuwe invulling te geven.

Door: Edwin Mijnsbergen

‘We look at the present through a rear-view mirror. We march backwards into the future.’

De Canadese filosoof Marshall McLuhan stelde ooit dat mensen geneigd zijn technologische innovatie te bekijken door een achteruitkijkspiegel. Hij wilde daarmee zeggen dat we nieuwe ontwikkelingen slechts begrijpen tot op het niveau waarop we ontwikkelingen uit het heden of verleden begrijpen. Als informatiespecialist die zijn best doet de toekomst van het vak te doorgronden, wil je dan graag loslaten wat achter je ligt. Wie dit probeert, moet niettemin al snel concluderen dat McLuhan gelijk had. Om de toekomst te begrijpen, is kennis van het verleden essentieel. Als je niet weet hoe bibliotheken vroeger functioneerden, wordt het lastig om je voor te stellen hoe zij informatie kunnen verzamelen, bewaren en verspreiden als er geen boeken of gebouwen meer zijn. Als je niet begrijpt waarom zoekmachines zich hebben ontwikkeld tot wat ze nu zijn, zul je moeite hebben met bedenken waar ze straks mogelijk toe in staat zijn. En als je niet begrijpt waarom bepaalde dingen niet lukten tijdens je loopbaan als bibliothecaris, archivaris of informatiespecialist, zul je ook nooit weten wat je in de toekomst anders moet doen om je bestaansrecht te verzekeren – of dat van je werkgever.

Onlangs koos ik er zelf voor om m’n vaste (deeltijd)baan op te zeggen. Of ik daar goed aan heb gedaan moet nog blijken, maar ik hoop dat ik zonder vast contract sneller de informatiespecialist kan worden die de toekomst – in mijn ogen – het hardste nodig heeft. Ik heb daarbij een professional voor ogen voor wie dat hippe ‘Nieuwe Werken’ geen arbeidsvoorwaarde is in de traditionele zin van het woord, maar een voorwaarde om het werk naar behoren te kunnen doen. Zijn werk dient niet alleen de gemeenschap waarvoor hij werkt, het maakt er ook deel van uit. Die moderne kracht legt geen verantwoording af in dikke beleidsplannen en rapporten; hij geeft rekenschap van zijn werk via de online netwerken waarop hij toch altijd al te vinden is. De informatiespecialist van morgen werkt wel in teams, maar alleen in flexibele, waarin iedereen gericht een taak voor zijn rekening neemt. Hij werkt niet zozeer aan andere taken, hij voert ze alleen op een andere manier uit, namelijk in vrijheid. Los van de organisatiestructuur wordt hij in ieder geval veel minder afgeremd door alle tijd en energie die organisaties traditiegetrouw besteden aan vraagstukken rondom personeel en (werk-)processen.

Terugblik

Zoals gezegd: zonder verleden geen toekomst. Als ik wil uitleggen hoe mijn ideale professionele toekomst eruitziet, ontkom ik niet aan een terugblik.

In 1999 belandde ik in de bibliotheekwereld en een jaar later begon ik, in deeltijd, met de opleiding Informatiedienstverlening en -management (IDM) aan de Haagse Hogeschool. Dat waren vier interessante jaren, die je misschien nog het beste als hybride zou kunnen omschrijven. Op de werkvloer leerde ik veel over de collecties en de daarmee samenhangende dienstverlening, de opleiding spijkerde mijn kennis bij over databases, het web en de toekomst van de informatiesamenleving. Het ei van school kon ik prachtig kwijt in taken als media-educatie en digitaal inlichtingenwerk. Tien jaar geleden liep het nog storm voor beginnerscursussen internet en digitale vragendiensten als Al@din, moet je weten.

Na mijn opleiding, vanaf 2005, gaf ik mezelf over aan wat toen nog het nieuwe web of web 2.0 werd genoemd. Gratis publiceren voor iedereen op weblogs! Onbeperkt foto’s delen op Flickr! In één uur een kennisnetwerk voor vakgenoten bij elkaar klikken op Ning! De opkomst van Twitter, YouTube en Facebook! Het ongekende succes van een online encyclopedie die gevuld wordt door amateurs!

Inmiddels kijken we bijna nergens meer van op, maar tóen was het allemaal nieuw. En veel. Je werd er gewoon een beetje hijgerig van. Je raakte er niet over uitgepraat. In ieder geval niet met de mensen die zich ook in die nieuwe ontwikkelingen onderdompelden.

Digitale kentering

In de periode dat ook het grote publiek sociale media begon te omhelzen, ging er echter iets mis. Door de snelheid en massaliteit van het nieuwe internet haakten veel collega’s in de erfgoedsector af. Er viel ook niet meer tegenaan te onderwijzen. Mensen enthousiast krijgen voor één of twee websites lukte nog wel, maar voor (de cursus) 23 Dingen? Als kleine greep uit een nóg veel groter aanbod? Dat was te veel van het goede. ‘Dan kom je niet meer toe aan je gewone werk.’

Er ontstond bij een grote groep medewerkers een achterstand op het gebied van digitale vaardigheden. Tegelijkertijd deinsden veel managers van bibliotheken, archieven en andere organisaties er voor terug om de toename in het aantal projecten met een digitaal karakter te vertalen naar formatieplaatsen, met als gevolg dat die projecten leunden op gevaarlijk kleine groepen medewerkers. Er werd misschien wel gerekend op de inzet van ict’ers, maar die hadden meestal wel wat anders aan het hoofd, zoals het onderhouden van het immer uitdijende computernetwerk of het oplappen van in hun voegen krakende oude catalogi.

De oproep van betrokken medewerkers voor meer tijd en geld voor nieuwe ontwikkelingen vond geleidelijk meer gehoor bij directies, maar uit het gehele land bereikten mij keer op keer dezelfde geluiden: nieuwe media en andere digitale ontwikkelingen werden door veel van die directies minder serieus genomen dan wenselijk was. Zij gokten er toch een beetje op dat het wel over zou waaien, dat het een hype was.

Niet dus. De verdergaande digitalisering en het nieuwe internet drongen door tot in vrijwel alle haarvaten van ons werk. We vertrouwden op de kwaliteit van de media in al onze fraaie, kostbare databanken, maar zagen over het hoofd dat de gemiddelde googelende informatiesnacker die meestal niet (meer) kan vinden. We hoopten dat de aandachtsspanne van hoogopgeleiden nog groot genoeg was voor een bezoek aan onze websites, maar we vergaten dat ook die doelgroep massaal was gezwicht voor alle gratis online informatie elders, voor de online contacten met hun kennissen en vrienden, en voor de verleidingen van casual games, apps en boeken (ja heus, boeken!) op de smartphone.

In projectplannen en subsidieverzoeken kregen de nieuwe ontwikkelingen keurig een plaats – met voornemens als: ‘we gaan de gebruiker opzoeken waar die zit’ en ‘we moeten meer doen dan zenden alleen’. Toch zag je daar in de uitvoering van de plannen weinig van terug. Het binnenharken van nieuw geld (subsidies!) is op de korte termijn voor veel organisaties nu eenmaal belangrijker dan het binnenharken van nieuwe media.

Het verschil maken

Dit betekent niet dat er niets is gebeurd. De ene organisatie schafte een meer geavanceerde catalogus aan, de andere investeerde in hardware als touchscreens of in een eigentijdse website met personaliseringsfunctionaliteiten. Er is bijna geen gebouw meer zonder WiFi te vinden en scholing op het gebied van nieuwe media heeft in de gehele erfgoedsector buitengewoon veel aandacht gehad.

Maken al die ontwikkelingen het verschil? Komt de digitaal verwende klant daarvoor naar een gebouw? Kunnen de online platformen van erfgoedorganisaties zich meten met de platformen van commerciële spelers uit de internetwereld? Zijn de medewerkers van al die organisaties voldoende zichtbaar op al die platformen? Dat kun je je afvragen.

Veel organisaties beschikken nu over mensen die behalve de website ook de Facebookpagina en het Twitteraccount mogen bijhouden, maar tijd om in dialoog te gaan met het publiek hebben ze vaak niet. Terwijl in het sociale aspect juist de kracht ligt van sociale media. Als je daar onvoldoende in investeert, hebben die nieuwe media nauwelijks toegevoegde waarde ten opzichte van de oude. Je gebruikt ze enkel als vervangend uithangbord, bijvoorbeeld voor je nieuwsberichten en evenementen.

Voor het meewerken aan interessante internetprojecten die niet direct in verband kunnen worden gebracht met de organisatie, wordt meestal nog minder tijd vrijgemaakt. Hoeveel bibliothecarissen of archivarissen mogen in werktijd de kwaliteit van Wikipedia helpen verbeteren? Of in alle vrijheid op een sociaal netwerk kennis delen over de projecten waaraan zij werken? Of experimenteren met het aanbieden van apps die niet in opdracht van de bibliotheek zijn ontwikkeld? Of uit naam en in de tijd van de werkgever, zonder projectplan, een online platform opzetten, een platform dat een goede kans maakt om zich te ontwikkelen tot een populaire niche?

Bij mijn weten zijn het er niet zo veel. De bij mij bekende vakgenoten (ook uit de archief- en museumwereld) die zich met dit soort zaken bezighouden, doen dat vaak in eigen tijd.

Werken in vrijheid

Ik wil niet voorbijgaan aan die vakgenoten die al dat werk verzetten dat óók nog steeds gedaan moet worden. Denk aan het inlichtingenwerk in studiezalen of het beschrijven van collecties. Die groep blijft nog altijd net zo hard nodig. Maar nu ik steeds vaker lees dat bibliotheken en andere erfgoedorganisaties zich willen gaan richten op storytelling en content curation,1 vraag ik me wel af met wie ze dat hopen te gaan doen. De organisaties hebben vaak wel geschikte krachten in dienst, maar die krijgen meestal bij lange na niet de tijd die nodig is om dat ‘vertellen van verhalen’ en ‘verzamelen en digitaal delen van interessante informatie’ goed uit te kunnen voeren.

Dat dit type werk meer tijd vergt dan menigeen denkt, weet ik uit ervaring. Twee jaar terug begon ik spontaan aan Middelburgdronk.nl, een wiki die de geschiedenis van de horeca in Middelburg in kaart wil brengen. Het idee was dat iedereen aan de website mee zou schrijven, net zoals op Wikipedia – al blijkt in de praktijk dat ik en mijn collega’s bijna alles zelf moeten doen.

Na bijna twee jaar komt dat neer op duizenden webpagina’s vol onderzoeksgegevens, feiten en foto’s. En dat is nog slechts het werk voor de website. Daarnaast steken we veel tijd in het intensieve onderzoekswerk in beeld- en krantenbanken en andere bronnen. En in de vraaggesprekken met talloze mensen. En last but not least in de promotie van het geheel op bijvoorbeeld Twitter en Facebook, waar een groot deel van de interactie met de websitebezoekers zich afspeelt. Aan die laatste taak zou je, zonder overdrijven, een dagtaak kunnen hebben.

Middelburg Dronk is een hobbyproject, laat ik dat vooropstellen. Waar het mij hierbij om gaat, is dat ik het beschouw als werk dat iedere informatiespecialist met een specifieke interesse of passie zou moeten (kunnen) doen. Feitelijk doe ik weinig meer dan rondom het genoemde thema de collecties van archieven, bibliotheken en musea belichten.

Ik pluk interessante artikelen uit historische kranten en deel op Facebook die foto’s waarvan ik denk dat ze iets moois oproepen bij mensen. Dat lukt lang niet altijd, maar ik zie dat veel mensen enthousiast zijn geworden en zelf ook oude foto’s of een sterk verhaal inzenden. Dat ze via de chat bij me informeren waar ze het origineel van een bepaald document kunnen vinden en me laten uitleggen hoe ze binnen bronnen kunnen zoeken.

Op zulke momenten ben ik om slechts één reden gelukkig: ik doe weer het werk dat ik een paar jaar geleden aan de inlichtingenbalie in de bibliotheek deed. Met als verschil dat ik nu een doelgroep bedien die voornamelijk digitaal opereert, op een van de vele sociale netwerken. Een doelgroep met een zeer korte aandachtsspanne, die ’s avonds op de bank, tussen afwas en Pauw & Witteman, slechts een paar mooie foto’s wenst te bewonderen op de iPad, omdat ook Wordfeud roept, en dat filmpje van de buurvrouw, en…

Het belangrijkste verschil met het vak zoals het was, is dat je je niet meer kunt beperken tot het verzamelen en aanbieden van informatie. Als je de gebruiker wilt opzoeken in zijn digitale wereld, moet je je als die gebruiker gedragen en je onderdompelen in zijn wereld. Zoals je vroeger als aanspreekpunt en vraagbaak tussen de boekenkasten liep, zo beweeg je je nu tussen de vele websites en communicatietools, met je kennis van de collecties, zoek- en andere online vaardigheden.

Vooruitkijken zonder spiegel

Storytelling en content curation zouden voor de moderne informatieprofessional geen problemen mogen opleveren. Het zijn misschien wel oude competenties in een nieuw jasje, want verhalen en content hebben we altijd al verzameld en ontsloten. Om het goed te kunnen doen, is er denk ik vooral tijd nodig, alsook persoonlijke interesse. Die tijd zou moeten worden vrijgemaakt en die interesse zou de ruimte moeten krijgen.

En niet alleen op dit gebied. Er is nog zoveel meer dat gevolgd en uitgeprobeerd zou moeten worden. Een voorbeeld: medewerkers voltijds inzetten voor projecten zoals die welke een mogelijke oplossing bieden voor de afhankelijke positie van bibliotheken ten aanzien van uitgevers. Toegegeven, open access wint terrein, maar waarom wordt er zo weinig gedaan met al die mooie open bronnen op het web? En waarom manifesteren erfgoedorganisaties zich nauwelijks op het gebied van online privacy en netneutraliteit? Ze zouden een volwaardige partner moeten zijn in al die belangrijke open initiatieven. Nu staan ze aan de zijlijn.

In het verlengde daarvan zouden organisaties een grote rol kunnen spelen in het faciliteren van zogenaamde Hacker of Maker Spaces en FabLabs,2 al dan niet in combinatie met een concept als Seats2meet.3 Die concepten bieden niet alleen veel mogelijkheden op het gebied van innovatie van media-educatie en de ontmoetingsfunctie, ze scheppen ook ruimte voor nieuwe toepassingen van technologie in het gebouw. FabLabs houden zich bijvoorbeeld veel bezig met 3D-printers, apparaten die in de nabije toekomst een belangrijke rol gaan spelen. Het is lastig om je daar nu al een goede voorstelling van te maken, maar wacht je tot het volledig is uitgekristalliseerd, dan ben je alweer te laat. Durf een medewerker de vrijheid te geven om ermee aan de slag te gaan. Iets wat ook geldt voor de ‘Googlebril’,4 die in 2013 beschikbaar komt.

Als ik naar 2013 en daarna kijk, zie ik vooral heel veel niet. Of ik zie het nog heel wazig. Maar in die achteruitkijkspiegel van McLuhan zie ik dat de toekomst in het verleden te vaak niet de ruimte kreeg die zij nodig had. Dat moet echt anders. Geef de informatieprofessional de tijd en de bewegingsvrijheid die zijn passie nodig heeft.

Noten

  1. Zie www.edwinmijnsbergen.nl/2011/11/content-curation-een-kennismaking.html.
  2. Zie ww.fablabgroningen.nl/pagina/het-fablab-uitgelegd.
  3. Zie www.seats2meet.com.
  4. Zie youtu.be/D7TB8b2t3QE.

Deze bijdrage komt uit IP nr. 12 / 2012. Het gehele nummer kun je hier lezen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *